Existentiële vragen 4

De laatste drie blogs gaan over existentiële vragen die ik mijzelf als fulltime pensionado stel. De vraag, die nu overblijft is een vraag waar ik eigenlijk zo min mogelijk over wil nadenken, maar die ik mijzelf wel moet stellen: ‘Hoe ga ik om met het gevoel dat mijn leven nog maar kort is?’

DSC03262Als 8 jarig kind op de lagere school wordt mij al de meest existentiële vraag in het leven voorgelegd: ‘Waartoe zijn wij op aarde?’ Het antwoord is voorgeprogrammeerd: ‘Wij zijn op aarde om God te dienen om zo hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn’. Geboren in een katholiek gezin, ga ik naar de katholieke lagere jongensschool in Arnhem, die geleid wordt door de fraters uit Utrecht. Tijdens de godsdienstles moeten we het hele catechismusboekje met tientallen vragen en antwoorden uit ons hoofd leren en opdreunen. Alle mogelijke levensvragen zijn gedurende zes jaar keurig en helder in mijn kinderhoofdje gestampt. Als ik er nu aan terugdenk, realiseer ik mij dat binnen de context van het begrip tijd, een dergelijk geloof aan mijn tijd van leven op aarde een extra dimensie toevoegt. Je krijgt er het verleden van ruim 2000 jaar Christendom bij en de toekomst met eeuwig leven in het hiernamaals. Dus waarom zou je dan bang zijn dat het leven op aarde nog maar kort is? Waarom zou je dan bang zijn voor de dood? Na mijn lagere school kom ik als adolescent terecht in de beruchte jaren zeventig. De secularisatie slaat toe en de individualiseringsslag in de samenleving wordt definitief ingeluid. Niets is meer voorgeprogrammeerd, alles kan anders en van iedereen wordt verwacht dat hij zijn eigen verantwoordelijkheid neemt voor het leven. Vanaf die periode heb ik het catechismusgeloof niet meer, net zo min als het perspectief van het hiernamaals. Waar ik nu wel in geloof, is mij overigens nog steeds niet duidelijk. Lees verder

Existentiële vragen 3

‘Familie heb je, vrienden en kennissen krijg je’. Deze verzuchting hoor je wel eens in de beste families, meestal na (weer) een vervelende discussie of ervaring. Het is een waarheid als een koe: je kiest niet voor je vader of moeder, je zussen, broers, ooms en tantes. Familie is er gewoon en gelukkig voelt dat bij veel mensen heel goed, zoals ook bij mij. Bij vrienden, kennissen, collega’s of buren is het anders, zij komen in je leven, zijn vervolgens vervangbaar en kunnen zelfs weer uit je leven verdwijnen. Familie- en andere sociale netwerken, geplaatst in het perspectief van de levensloop, worden wel ‘konvooien’ genoemd. Voor ieder mens is het van belang te blijven investeren in de kwaliteit van zijn ‘konvooien’, dus ook bij het ouder worden. Een aantal veranderingen in je konvooi tijdens het leven is enigszins voorspelbaar, zoals bij de overgang van school naar werk, van de ene baan naar de andere, of – zoals nu bij mij – van werk naar pensionering. Niet voorspelbaar en zeer heftig is het wegvallen van mensen uit je konvooi tengevolge van overlijden. Hoe ouder je wordt, hoe groter de kans is dat er flinke bressen geslagen kunnen worden in jouw konvooi. Dat maakt het leven extra moeilijk. Lees verder

Existentiële vragen 2

DSC00167Nadenken over de ouderdom, wordt in sterke mate gevoed door mijn (onze) ervaringen in Afrika ruim 33 jaar geleden. In 1981 gaan mijn lief en ik voor twee jaar naar Kenya, waar ik als directeur van de Nederlandse School in Nairobi ga werken. In dit prachtige Afrikaanse land proberen we snel een nieuw sociaal netwerk op te bouwen; het voelt als een basisbehoefte, net als een dak boven je hoofd en eten. In de vele boeiende contacten met Kenianen valt op hoe belangrijk familie is. Je leeft en werkt niet voor jezelf maar voor de familie. Als mijn moeder, die dan 70 jaar is, ons in Kenya komt bezoeken, mag ik haar persoonlijk rechtstreeks van de gate op het grote vliegveld van Nairobi opvangen. De eindverantwoordelijke veiligheidscommandant is gevoelig voor mijn argument dat mijn oude moeder alleen reist, geen Engels spreekt, een visum ter plekke moet regelen en dat zij daarom de hulp van haar zoon nodig heeft. Later, als wij haar meenemen naar onze Keniaanse vrienden wordt zij telkens in het middelpunt gezet en met veel aandacht en zorg omringt. Als je oud bent in Afrika blijf je volwaardig lid van de samenleving en vervul je een duidelijke rol in de familie en in de sociale gemeenschap; zelfs sta je iets op een voetstuk. Jonge kinderen wonen vaak bij de grootouders en worden door hen feitelijk opgevoed. Vice versa helpen de kinderen hun grootouders met allerlei dagelijkse bezigheden, die zij zelf niet meer kunnen verrichten. Het is mooi om te zien hoe er tussen het jonge kind en de grootouders een bijzondere liefdevolle band ontstaat. In gesprekken met Kenianen wordt altijd uitgebreid gevraagd naar persoonlijke omstandigheden. In Nederland heeft dit al gauw iets van verplichte gespreksstof, maar voor Kenianen is dit heel essentieel. Indringend zijn vragen als: ‘Hoe lang zijn jullie al getrouwd?’ En op het antwoord: ‘Ruim zeven jaar’, is de vervolgvraag: ‘Hoeveel kinderen hebben jullie?’ Als wij dan antwoorden: ‘Geen’, is de reactie steevast: ‘God will bless you, keep on trying!’ Een enkele keer leggen we uit dat wij er nog niet aan toe zijn. Maar dat type rationele verklaringen slaat niet aan, zelfs niet bij Gerald Wanjohi, onze bevriende hoogleraar in Education & Philosophy. Lees verder