Levensloopbestendige verhuisstap…..

De jaarlijkse Second Home beurs in Utrecht heeft veel aantrekkingskracht op oudere Nederlanders, die hopen op een Zwitserleven in bijvoorbeeld Spanje: altijd mooi weer, lekker eten, lage kosten levensonderhoud; je hoeft niets te doen; weinig zorgen; altijd een vakantiegevoel. Zij hebben de wens hun laatste levensfase tijdelijk of permanent door te brengen in een warm land. Ook het aantal ouderen dat wil gaan verhuizen in eigen land neemt de laatste jaren toe. Zij ruilen dan hun eengezinswoning in voor een appartement of zoeken een plekje in een ‘krasse knarren hofje’ of iets soortgelijks.

In de levensfase waarin onontkoombare achteruitgang plaatsvindt en waarin tegelijkertijd het sociale netwerk steeds kleiner wordt, is levensloopbestendig wonen een essentiële basisbehoefte. Het is meer dan alleen het huis. Wil je maximale kwaliteit van dagelijks leven hebben, hoort daar de juiste omgeving en het daarbij behorende sociale netwerk helemaal bij.

Verhuizen is altijd een grote stap, waar je zeker op oudere leeftijd extra goed over zou moeten nadenken. Woon je nu in een woning die levensloopbestendig is of daarvoor aangepast kan worden én voel je je helemaal ‘thuis’ op je huidige plek dan is verhuizen waarschijnlijk niet aan de orde. Wil je de stap van verhuizen zetten is het verstandig jezelf allerlei vragen te stellen. Ben je een type die snel ergens anders kan aarden? Kun je op de nieuwe plek blijven wonen als je zorgbehoevend wordt? Besef je dat je bij verhuizen naar het buitenland dierbare ‘achterblijvers’ lange tijd achter elkaar moet missen? Kun je makkelijk nieuwe contacten leggen? Zijn er goede algemene voorzieningen in de buurt van je nieuwe woonplek? Realiseer je, dat je mobiliteit minder kan worden en dat je steeds meer huis- en plaatsgebonden bent?

Met die gedachte over levensloopbestendig wonen zijn mijn lief en ik zes jaar geleden verhuisd van een eengezinswoning met drie verdiepingen naar een appartement. We willen niet te lang wachten gezien mijn leeftijd. Ons huis vraagt blijvend veel onderhoud en aanpassingen, hetgeen hoge kosten met zich meebrengt en veel onnodige stress veroorzaakt. We zoeken eerst naar een appartement in het centrum van Rotterdam. Dat we in Rotterdam willen blijven is voor ons een uitgemaakte zaak. Onze kinderen en kleinkinderen wonen er en we houden van het stadse leven. Na een aantal bezichtigingen zeggen we tegen elkaar: ‘Waarom kijken we eigenlijk niet in ons eigen buurtje? We wonen vlakbij het centrum, allerlei voorzieningen zijn redelijk dichtbij en we zijn al vijftien jaar betrokken bij het wel en wee in onze buurt.’

Al gauw vinden we ruim tweehonderd meter van ons oude huis een mooi appartement. Het uitzicht op de Maas blijven we houden. In het begin valt ons op dat je weinig contact hebt met al je directe buren naast, boven en onder je. Maar mijn lief en ik stellen ons meteen actief op in onze nieuwe woonomgeving en helpen al snel met allerlei gemeenschappelijke kleine en grotere klusjes, zoals plantenbakken buiten water geven, meedenken met herinrichtings- en verbouwingsplannen van ons complex en organiseren van een bewonersborrel. Zo leren we al snel andere bewoners beter kennen en ontstaan er nieuwe contacten.

We zijn ontzettend blij dat we deze levensloopbestendige verhuisstap gemaakt hebben!

Hogere AOW leeftijd?…..

Laten we voordat we praten over verhoging van de AOW leeftijd, eerst beleidsmatig inzetten op een cultuuromslag naar positieve aandacht voor het werkleven in de tweede levenshelft en de gewenste kansrijke omgeving daarvoor.

Vanuit mijn onderzoeks- adviesbureau ben ik tussen 2004 en 2008 samen met een groep wetenschappers en consultants betrokken bij een groot Europees project rond 45plus en arbeid. Doel van het project is te komen tot een gemeenschappelijke gedachtevorming en tot innovatieve methodieken rond het optimaal benutten van kennis en vaardigheden van- en door de 40/45plusser. Drijfveer daarachter is de wetenschappelijke, gerontologische visie dat de ontwikkeling en groei van de mens niet stopt gemiddeld rond die leeftijd, maar dat juist dán de ervaringskennis en andere competenties tot bloei kunnen komen.

Deze gerontologisch visie op arbeid zou in de discussie over de verhoging van de AOW leeftijd een prominente rol moeten spelen. Wat volgens mij nodig is, dat het denken over een loopbaan meer in het perspectief moet staan van ieders persoonlijke levensloop ontwikkeling: active aging. Dat begint al in het onderwijs: in plaats van jaarklassen meer onderwijs op maat. Heb je eenmaal een keuze gemaakt voor een bepaald beroep, weet je niet altijd zeker of je beroepskeuze geslaagd is of dat je voldoende gemotiveerd en geschikt blijft voor dit beroep. Bij bepaalde beroepen weet je bij voorbaat al of je die qua uitdaging en zwaarte veertig jaar kan volhouden. Omdat er in bepaalde sectoren dan te weinig opties zijn voor een aangepast functieprofiel, is het verstandig daarop zelf te anticiperen.

Als ik terugkijk op mijn eigen loopbaan, heb ik na ruim twaalf jaar met veel plezier en enthousiasme in onderwijs te hebben gewerkt, het besluit genomen de switch te maken naar de ouderensector. Het is niet zozeer door mijn onderwijsdiploma, als wel mijn opgedane ervaringskennis, dat deze overstap goed is gelukt. Zelfs heb ik mij in die jaren ook nog kunnen verdiepen in de ‘ouder wordende mens’ door de studie gerontologie. De laatste veertien jaar heb ik een eigen gerontologisch onderzoek- en adviesbureau gehad. Uiteindelijk heb ik ruim vierenveertig jaar met veel plezier, motivatie en enthousiasme gewerkt.

Wat mij betreft ligt er vóór het praten over de AOW leeftijd wel of niet hoger, eerst de politieke uitdaging om inhoudelijk (en financieel) beleid uit te zetten op onderwijs en arbeid vanuit de gedachte ‘blijven leren en openstaan voor nieuwe, andere ontwikkelingen’. Geef de burger de kans op scholing, specifiek gericht op ieders persoonlijke ontwikkeling, zodanig dat hij/zij zich gedurende de loopbaan bewust blijft van het eigen ‘métier’: Waar ben ik goed in? Waar ligt mijn interesse en ervaring? Wat heb ik te bieden? Iedere werknemer zou op basis van zijn ervaringskennis mee kunnen denken over nieuwe of andere inhoud van werkzaamheden óf tot de conclusie komen dat er in de organisatie geen of nauwelijks alternatieven zijn. Vervolgens kan dan samen met de werkgever gekeken worden naar ander, passend werk. Voor werkgevers houdt dit in dat zij het belang en behoud van oudere werknemers onderkennen en daarvoor strategisch beleid ontwikkelen gekoppeld aan het inspirerend levensloopperspectief van de oudere werknemer.

Op weg naar de tachtig!

Het jaar 2026 wordt voor mij een bijzonder jaar, omdat ik dan de leeftijd hoop te bereiken van tachtig jaar. Gelukkig ben ik niet de enige oudere. Op dit moment zijn er bijna vier miljoen, waarvan één miljoen tussen de tachtig en honderd jaar en drie miljoen tussen de vijfenzestig en tachtig jaar. Het aantal honderdplussers is maar liefst tweeëneenhalf duizend. Al deze ouderen verschillen in fysiek en mentaal opzicht gigantisch van elkaar.

Het rare is dat ik mijzelf absoluut niet tachtig jaar oud voel en zo zie ik er ook niet uit. Nu is dat ‘er niet zo uitzien’ leuk meegenomen, maar het gaat erom dat je qua fysieke en mentale gesteldheid nog hoog in de bandbreedte zit van ontwikkeling en groei ten opzichte van je biologische leeftijd. Die groei en ontwikkeling neemt langzaam af en dat zal sneller gaan met het stijgen der jaren. Gemiddeld na vijfenzeventig jaar neemt de kans toe dat je sneller fysiek en psychisch achteruitgaat. Met mijn tachtig jaar in het verschiet is dat perspectief niet erg prettig.

Wij zijn in de geschiedenis van de mensheid de eerste groep ouderen die een lange fase van oud worden meemaken. Mij valt op dat die lange levensfase onderverdeeld kan worden in twee of zelfs drie subfases. De eerste twaalf jaar vanaf mijn pensioen in 2014 zijn goed verlopen. Je merkt wel dat je fysiek achteruit gaat en dat je mentaal eerder in de stressmodus geraakt, maar eigenlijk valt het ouder worden nog heel erg mee. Ik heb nog volop de eigen regie over mijn dagelijks leven, van opstaan tot naar bed gaan, hoewel alles wel in een lager tempo gaat. Voor mijn gevoel komt echter langzamerhand de tweede subfase van ouder worden eraan. Statistisch gezien nemen dan de risicofactoren op allerlei mankementen en gebreken sterk toe. Breek ik met vallen mijn heup, dan kan er tegelijk een stoornis in mijn gedrag en denken ontstaan, een delier. De derde subfase van ouder worden gaat in als je structureel een kwetsbare oudere bent, die veel ondersteuning in het dagelijkse leven nodig heeft.

Maar mij nu al druk maken om iets wat nog moet komen, wil ik eigenlijk niet. Liever kijk ik naar welke mogelijkheden ik heb om enige invloed uit te oefenen op mijn dagelijks welzijn de komende jaren. Centraal staat daarin een goede leefstijl: gezond blijven eten, niet teveel alcohol drinken en veel blijven bewegen. Vooral blijven bewegen vind ik een lastige opgave, daar zit niet mijn sterkste kant. Toch dwing ik mijzelf daartoe. Sinds enkele weken loop ik elke maandagmorgen met een groepje een rondje Kralingse Plas van zo’n vijf kilometer en dat voelt erg goed. Waar ik erg kien op ben en wil blijven, is nieuwsgierig zijn, inspiratie en uitdagingen zoeken. Bezig zijn met mijn grijze hersencellen. Komende maanden ga ik weer een cursus filosofie volgen bij de politiek filosoof Remko van Broekhoven: Hannah Arendt en de Banaliteit van het Kwaad. Ik verheug mij daar erg op.

Zelfs heb ik mij voorgenomen om iets te doen dat volledig buiten mijn comfortzone ligt. Onlangs is mij gevraagd mee te komen zingen in een muziekgroepje, vijf mannen en twee accordeonisten die voor hun plezier allemaal Rotterdamse liedjes zingen en af en toe optreden in regionale zorginstellingen. Zij noemen zich Rotterdams Tuig. Ik heb in eerste instantie ja gezegd en ben razend benieuwd hoe ik dat ga ervaren.

Alles bij elkaar ga ik dit nieuwe jaar vol levenslust op weg naar de tachtig!