Op weg naar de tachtig!

Het jaar 2026 wordt voor mij een bijzonder jaar, omdat ik dan de leeftijd hoop te bereiken van tachtig jaar. Gelukkig ben ik niet de enige oudere. Op dit moment zijn er bijna vier miljoen, waarvan één miljoen tussen de tachtig en honderd jaar en drie miljoen tussen de vijfenzestig en tachtig jaar. Het aantal honderdplussers is maar liefst tweeëneenhalf duizend. Al deze ouderen verschillen in fysiek en mentaal opzicht gigantisch van elkaar.

Het rare is dat ik mijzelf absoluut niet tachtig jaar oud voel en zo zie ik er ook niet uit. Nu is dat ‘er niet zo uitzien’ leuk meegenomen, maar het gaat erom dat je qua fysieke en mentale gesteldheid nog hoog in de bandbreedte zit van ontwikkeling en groei ten opzichte van je biologische leeftijd. Die groei en ontwikkeling neemt langzaam af en dat zal sneller gaan met het stijgen der jaren. Gemiddeld na vijfenzeventig jaar neemt de kans toe dat je sneller fysiek en psychisch achteruitgaat. Met mijn tachtig jaar in het verschiet is dat perspectief niet erg prettig.

Wij zijn in de geschiedenis van de mensheid de eerste groep ouderen die een lange fase van oud worden meemaken. Mij valt op dat die lange levensfase onderverdeeld kan worden in twee of zelfs drie subfases. De eerste twaalf jaar vanaf mijn pensioen in 2014 zijn goed verlopen. Je merkt wel dat je fysiek achteruit gaat en dat je mentaal eerder in de stressmodus geraakt, maar eigenlijk valt het ouder worden nog heel erg mee. Ik heb nog volop de eigen regie over mijn dagelijks leven, van opstaan tot naar bed gaan, hoewel alles wel in een lager tempo gaat. Voor mijn gevoel komt echter langzamerhand de tweede subfase van ouder worden eraan. Statistisch gezien nemen dan de risicofactoren op allerlei mankementen en gebreken sterk toe. Breek ik met vallen mijn heup, dan kan er tegelijk een stoornis in mijn gedrag en denken ontstaan, een delier. De derde subfase van ouder worden gaat in als je structureel een kwetsbare oudere bent, die veel ondersteuning in het dagelijkse leven nodig heeft.

Maar mij nu al druk maken om iets wat nog moet komen, wil ik eigenlijk niet. Liever kijk ik naar welke mogelijkheden ik heb om enige invloed uit te oefenen op mijn dagelijks welzijn de komende jaren. Centraal staat daarin een goede leefstijl: gezond blijven eten, niet teveel alcohol drinken en veel blijven bewegen. Vooral blijven bewegen vind ik een lastige opgave, daar zit niet mijn sterkste kant. Toch dwing ik mijzelf daartoe. Sinds enkele weken loop ik elke maandagmorgen met een groepje een rondje Kralingse Plas van zo’n vijf kilometer en dat voelt erg goed. Waar ik erg kien op ben en wil blijven, is nieuwsgierig zijn, inspiratie en uitdagingen zoeken. Bezig zijn met mijn grijze hersencellen. Komende maanden ga ik weer een cursus filosofie volgen bij de politiek filosoof Remko van Broekhoven: Hannah Arendt en de Banaliteit van het Kwaad. Ik verheug mij daar erg op.

Zelfs heb ik mij voorgenomen om iets te doen dat volledig buiten mijn comfortzone ligt. Onlangs is mij gevraagd mee te komen zingen in een muziekgroepje, vijf mannen en twee accordeonisten die voor hun plezier allemaal Rotterdamse liedjes zingen en af en toe optreden in regionale zorginstellingen. Zij noemen zich Rotterdams Tuig. Ik heb in eerste instantie ja gezegd en ben razend benieuwd hoe ik dat ga ervaren.

Alles bij elkaar ga ik dit nieuwe jaar vol levenslust op weg naar de tachtig!

‘Weg met denken in leeftijd-hokjes….

Voor het eerst in de geschiedenis is er een generatie die écht de tijd heeft (en krijgt) om zinvol ouder te worden. Het is de naoorlogse babyboomgeneratie. De trend van langer leven is definitief ingezet. In 2040 zal een kwart van de bevolking in Nederland bestaan uit 65plussers. Deze ontwikkeling roept bij mij als gerontoloog natuurlijk vraag op: ‘Hoe gaan de samenleving én de ouderen zelf deze lange levensfase vorm en zinvolle inhoud geven?’

De algemene gedachte is, dat deze levensfase van ouder worden ook inhoudt dat al die ouderen langer en veel (complexe) zorg nodig zullen hebben. Het geschetste beeld dat er een tsunami hulpbehoevende ouderen aankomt, schept een toekomstbeeld van ‘wat moeten we met al die zorgbehoevende oudjes’?

Echter, kijkend naar mijn generatie, zie ik dat ouderen bij toenemende zorgvragen steeds nadrukkelijker de regie willen behouden. Wij willen zo lang mogelijk thuis blijven wonen en zelf bepalen hoe eventuele zorgverleners ons ondersteunen. Dat wordt ons mede makkelijk gemaakt omdat we toegang hebben tot één van de beste zorgsystemen in de wereld. Dankzij een ‘simpele’ heupoperatie, een nieuwe ooglens of een geavanceerd gehoorapparaat en allerlei hulpmiddelen als een traplift, een rollator, een medicijnen dispenser, een glucosemeter kunnen we maximale kwaliteit van dagelijks leven behouden. Ouderdom expert Rudi Westendorp constateert dan ook dat de leeftijd waarop mensen lijden aan chronische ziekten mét ernstige beperkingen steeds verder oploopt. Heel veel jaren van ons ouder worden kunnen verlopen zonder ernstige chronische ziekten.

De negatieve kijk op ouder worden is al vroeg in de levensloop merkbaar. Je bent rond je 45/50ste al gauw een oudere werknemer, die bijvoorbeeld niet meer zo flexibel is. Uit o.a. promotieonderzoek (Joop Zinsmeister, 2012) en uit gerontologisch onderzoek ( Baltes e.a. 1997, Houben, 2002) blijkt echter, dat bij oudere werknemers juist andere vermogens toenemen, zoals het vermogen tot overwegen, goed met complexiteit omgaan, begrip hebben van het grotere geheel, leren van eigen ervaringen en van daaruit situaties verbeteren. Zinsmeister spreekt over ‘verrijkte’ vermogens. Als gerontoloog spreek ik van ‘ervaringskennis’ en wat traditioneler gedacht, kun je spreken over toenemende wijsheid. De waarde van deze ervaringskennis van oudere werknemers wordt niet echt onderkend in onze huidige samenleving, laat staan dat er op grote schaal gebruik gemaakt wordt. Dat is vreselijk jammer voor de oudere werknemer zelf, maar ook voor de samenleving. Het niet erkennen en benutten van die verrijkte vermogens wordt vervolgens verder doorgezet als je op je 67ste met pensioen gaat. Feitelijk wordt een groot deel van de bevolking al vanaf hun 50e in de marge van ‘er toe doen in de samenleving’ gedrukt.

De spectaculaire demografische ontwikkeling van de ouder wordende mens vraagt een grondige herbezinning op onze kijk op de totale levensloop van de mens. We moeten af van het denken in kunstmatige en generaliserende leeftijd-hokjes van ‘jong zijn en opgroeien’, ‘volwassen zijn en werken’, ‘oud zijn en met pensioen’. We zullen moeten kijken naar ieders doorlopende, persoonlijke ontwikkeling gedurende zijn hele leven. Het is de hoogste tijd dat ons maatschappelijke bestel daar op aangepast gaat worden.

Mijn levenstrap……

Mijn kalenderleeftijd geeft aan dat ik bij de ouderen hoor, maar ‘oud zijn’ dat voelt genuanceerder dan ik ooit heb gedacht. Wanneer is iemand oud en dan nog, wat zegt dat? Ouder worden in zijn algemeen wordt mede bepaald door het hardnekkig vooroordeel hoe onze samenleving naar ouder worden kijkt: een levensfase van achteruitgang en verlies met als ‘dieptepunt’ de dood.

Deze negatieve beeldvorming is zichtbaar en hoorbaar in alle gremia. We praten over de grijze golf en over dubbele vergrijzing. In de politiek gaat het vaak over ouderen die de samenleving ontzettend veel geld kosten. In reclame boodschappen is ‘jong’ vitaal en aantrekkelijk, ‘oud’ is krakkemikkig en afhankelijk.

De levenslijn van de mens stellen we ons simpelweg voor als een trap waarop je vanaf de geboorte tot en met je arbeidzame leven omhoog klimt om meteen daarna steil naar beneden te strompelen. Nota bene een beeld uit ongeveer 1850, als de levensverwachting gemiddeld veertig jaar is!

Zo gauw je met pensioen gaat, hoor je automatisch bij de doelgroep ouderen. We beseffen echter onvoldoende dat de individuele verschillen (fysiek/mentaal) tussen mensen steeds groter worden naarmate de leeftijd stijgt. Daar komt bij dat onze levensverwachting inclusief kwaliteit van leven blijft toenemen. Statistisch gezien loop je pas een groot risico op ernstig fysiek en psychisch disfunctioneren na je vijfenzeventigste. Gelukkig leven we in een welvarend land waar, als het zover is, wij kunnen terugvallen op professionele zorgvangnetten.

Zoals in mijn vorige blog al opgemerkt leer ik ‘op mijn oude dag’ veel van filosofen. Onlangs is de filosoof Suzanne Wiebinga gepromoveerd op het onderzoek ‘Ouder worden als ervaring’. Zij geeft aan dat ouder worden een nieuw vraagstuk is, waarbij oude antwoorden en gangbare culturele narratieven niet meer passen. Ouder worden is niet ‘jong’ blijven. Het is ook niet alleen maar verlies. In haar onderzoek heeft zij gekeken of we waarheid en betekenis van ouder worden op een nieuwe manier kunnen verwoorden, op een manier die aansluit bij de ervaringen, inzichten, zorgen en verlangens van ouderen zelf.

Dit onderzoek voelt voor mij als erkenning. Ik ben iemand, die zichzelf telkens opnieuw probeert uit te vinden, zoals ik dat eerder als puber en arbeidzame volwassene heb gedaan. In mijn eigen beeldvorming over ouder worden loop ik nog steeds op mijn levenstrap omhoog. Het gaat wel iets voorzichtiger en minder snel. Ongemakken en verlies gaan aan mij niet voorbij, maar ik kan dat nog goed opvangen.

Van betekenis zijn in de samenleving is en blijft een uitdaging. Waar ik woon, is genoeg te doen: vrijwilligerswerk in het sociale domein; een keertje voorlees-opa zijn op de kinderopvang van onze kleinzoon; met raad en daad onze Vereniging van Eigenaars bijstaan; een filosofiecursus volgen.

Het meest betekenisvolle in mijn huidige leven zijn de persoonlijke contacten met alle dierbaren in mijn directe omgeving. Dat alles bij elkaar maakt mij een gelukkige oudere en ik zie wel hoe lang dat nog duurt.