Sociale media

Ik weet niet hoe het andere pensionado’s vergaat, maar hoe meer tijd ik heb, hoe meer ik kijk op sociale media. Ik ben me dat extra bewust als ik op het tafeltje naast de bank al mijn apparaten keurig opgestapeld zie liggen: mijn laptop, mijn tablet, mijn e-reader en mijn telefoon. Het besef dringt tot mij door dat dit voor mij zeer belangrijke informatiebronnen en communicatiekanalen zijn met de ‘buitenwereld’, zeker sinds ik fulltime pensionado ben. Als ik geen speciale activiteiten buiten de deur heb, begint mijn dag om half acht achter de computer. Ik kijk naar mijn mail, ga naar facebook en linkedin. Vervolgens werp ik een eerste snelle blik op het actuele nieuws op nu.nl, ad.nl en rijnmond.nl. Meestal vertrekt om die tijd mijn lief naar haar werk. Dan kleed ik mij aan en ga ontbijten aan de tafel in de woonkamer onderwijl rustig de krant lezend. Vanaf die plek kijk ik naar buiten en zo kan ik de stad die wakker wordt, aanschouwen. Duizenden auto’s, honderden fietsers rijden via de Maasboulevard het centrum van Rotterdam binnen. Op het water zie ik grote en kleine vrachtschepen beide richtingen opvaren met daartussendoor de Waterbussen, die forensen vanuit omliggende steden en dorpen naar Rotterdam vervoeren. Het is mijn dagelijkse eerste live contact met de buitenwereld. Zo rond 10.00 uur heeft deze fulltime pensionado het ochtendritueel afgerond. Afhankelijk wat er die dag aan afspraken staat, zit ik veel achter mijn computer te werken en kijk daarbij regelmatig op sociale media. En als ik die dag in de auto zit, luister ik graag naar BNR met allerlei nieuwsprogramma’s. Sociale contacten met de kinderen en familieleden gaan veel via de App, meestal in de avond. ’s Avonds kijk ik TV, waar in programma’s als DWDD, het Journaal,  Umberto Tan en/of Pauw al het voor mij bekende dagelijkse nieuws nogmaals de revue passeert. Het is een vreemde gedachte. Mijn wereld als fulltime pensionado lijkt enerzijds kleiner te worden, omdat ik niet meer dagelijks buitenshuis werk met allerlei contacten van dien. Anderzijds lijkt mijn wereld groter te worden, vooral in mijn hoofd, omdat ik nu veel achter de geraniums op de sociale media bezig ben. Sociale media zijn op zich prima, maar sinds ik fulltime pensionado ben, zoek ik bewuster rechtstreekse ontmoetingen met mensen. Met enkele vrienden en kennissen heb ik daarom af en toe een één op één lunchafspraak. Een ander speciaal contact dat ik twee jaar geleden gestart ben is ‘de Heren van Delta’. Maandelijks komen we met vijf vrienden in het Delta hotel Vlaardingen bij elkaar en praten dan over de grote en kleine problemen in de wereld. Soms doet iemand vooraf een suggestie, soms gaat het gesprek gewoon vanzelf. 20161207_113453Deze week praten we over Trump, Italië, Europa en referenda met het boekje ‘Onbehagen’ van Bas Heijne in ons achterhoofd. We hebben het allemaal vooraf gelezen. Ieder van ons beseft dat het wereldbeeld waarmee wij als naooorlogse generatie opgegroeid zijn, behoorlijk achterhaald is. Als individuen met veel autonomie, stelt de technologie ons in staat met de hele wereld te communiceren. Maar tegelijkertijd worden wij ‘geconfronteerd met de overweldigende verknooptheid der dingen. Er is te veel dat onze aandacht opeist, onze empathie verlangt, ons confronteert met onze eigen beperkingen. Tegelijk is er steeds minder sprake van echt contact.’ Heijne werpt in dit essay een nieuw licht op de beschaafde mens en we merken tijdens onze discussie dat zijn analyses ons helpt. Oplossingen hebben we natuurlijk niet, ook niet na vier uur pittig met elkaar praten. Maar het geeft wel wat rust in onze hoofden, constateren we aan het eind van de avond. Als ik thuis kom, kruip ik moe, maar zeer voldaan mijn bed in.

 

Flashmop

De laatste weken denk ik vaak aan het begrip interbellum. Ik zie mijn geschiedenisleraar op de Kweekschool in 1969 nog de grafieken op het schoolbord tekenen, waaruit blijkt hoe er telkens in de geschiedenis na enkele decennia een einde komt aan een interbellum. britteneuHij behandelt in die les uitgebreid de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in 1951. Deze Europese Organisatie was bedoeld om oorlog tussen West-Europese landen onmogelijk te maken. De productie van kolen en staal gold toen namelijk als belangrijkste middelen voor de productie van oorlogswapens. Het is de voorloper van de Europese Unie en mijn geschiedenisleraar denkt dat deze politieke samenwerkingsvorm het mogelijk maakt dit interbellum mechanisme eindelijk te doorbreken. Bijna 40 jaar lang heb ik hierop nog goede hoop gehad, maar nu ben ik er niet meer zo zeker van. Bang voor een nieuwe Wereldoorlog ben ik niet, maar wel bekruipt mij het gevoel dat we zeer, zeer hard moeten werken met elkaar om te voorkomen dat ‘de pleuris’ uitbreekt in Nederland, in Europa en in de rest van de wereld. Ik vind het steeds lastiger om bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen van dit moment te begrijpen: het toenemende populisme, de racismediscussie, de Brexit, de verkiezing van Trump, de referenda, de vluchtelingen, de multiculturele samenleving, de ontwikkelingen in Europa, Syrië en Turkije. Laat ik me beperken tot mijn eigen Nederland, waar veel onvrede en boosheid hoorbaar en zichtbaar is. Ik kan daar echt wel begrip voor opbrengen. Maar in plaats van samen naar oplossingen zoeken, heb ik het gevoel dat we juist tegen elkaar worden uitgespeeld en dit mechanisme wordt steeds sterker. Onze pluriforme samenleving dreigt te gaan bestaan uit twee groepen: je bent links of rechts, je bent voor of tegen, zwart of wit, Nederlander of niet. Populisten gaan er in met harde oneliners, want zij willen vooral niet klinken als het establishment, dat het altijd beter weet. Ikzelf word geplaatst in de vakjes ‘babyboomer, blanke man, hoogopgeleid, aardig pensioentje, dus je hebt gemakkelijk praten’. Maar, ik ben wie ik ben en al 70 jaar probeer ik iets te maken van mijn leven en van dat van mijn medemensen. Ik ben opgevoed met de simpele opdracht mijn talenten te ontwikkelen en die, waar mogelijk, ten dienste te stellen van de samenleving. Dat klinkt wat zwaar, en zo voelt het soms ook, maar gelukkig lang niet altijd. Niet dat ik mijzelf met deze levensinstelling nu zo op de borst hoef te kloppen, want veel gaat er ook mis. Ik probeer in ieder geval met vallen en opstaan een mensenmens te zijn. En zo bijzonder is het ook weer niet, want in mijn landje zijn miljoenen medemensen mensen, die dat ook op geheel eigen wijze dagelijks in de praktijk brengen.
En als er één kenmerk is van ons kleine Nederland is het wel de enorme gedifferentieerdheid van onze samenleving en dat al eeuwen lang. Als ik veel nadenk, mij zorgen maak en niet goed weet hoe dit op te lossen, ga ik wel eens heerlijk dagdromen. Ik droom van een flashmop. Al deze miljoenen medemensen mensen zijn ineens in volle glorie zichtbaar bij Pauw, bij de Wereld draait door, bij Hart van Nederland, bij de stembureau’s, en ook in de straten en in de buurten waar medemensen het moeilijk hebben. En zij geven elkaar hugs, dansen en zingen met z’n allen: ‘Zoveel miljoen mensen op dit kleine stukje aard.’ En als het lied uit is, gaan ze samen, zwart/wit, arm/rijk, links/rechts, Nederlander/Medelander, gelovige/niet gelovige, naar de kroeg of naar de kerk of moskee, of naar hun werk, of naar hun huis dat staat in een buurt waar mensen leven met het motto ‘Je mag zijn, wie je bent.’

.

Ergens bij willen horen

20161121_135758Al vanaf mijn vroegste jeugd heb ik moeite met vaste regels en de daaraan gekoppelde patronen. Ik denk dat het komt door mijn klassieke katholieke opvoeding, mijn ervaringen als 10-jarige welp bij de padvinderij en mijn driejarig verblijf als 13-jarige seminarist op het jongensinternaat. De overgang, als ik 16 jaar oud ben en losgelaten word in de de beruchte jaren zeventig, kan niet groter zijn. Vanaf dat moment voel ik mij bevrijd en meer individu dan groepsmens. Mijn hele leven heb ik dan ook een soort haat-liefde verhouding met groepen. Ik ben geen man voor standaard groepsreizen, verenigingsleven of andersoortige vaste groepsverbanden.Veelal is er weinig ruimte voor eigen creativiteit en uniciteit, en ik wil niet op de automatische piloot leven. Tegelijkertijd is leven voor mij alleen maar mogelijk in goede sociale verbanden. In mijn werkzame leven heeft het dan ook lang geduurd voordat ik overstag ga voor een vast groepsgebeuren. Ik ben 49 jaar als ik word gevraagd voor de lokale Rotaryclub. Natuurlijk heb ik last van de ‘padvindersregels’ en de voorgeprogrammeerde patronen van een Rotaryclub. Ik probeer daar al die jaren, tegen beter weten in, verandering in aan te brengen. Maar belangrijker is dat je lief en leed met elkaar kan delen, zeker als je elke week bij elkaar komt. Ik heb er ongelooflijk fijne en persoonlijke contacten mogen ervaren. Zo is er met enkele mede Rotarians een echte vriendschap gegroeid, welke tot op de dag van vandaag voortduurt. Dan gebeurt er iets dat mij doet besluiten om te stoppen. Ik ben in de levensfase van fulltime pensionado beland, met andere levensperspectieven en doelen dan voorheen. Ik vind dat ik afscheid moet nemen van de club, om zo ook ruimte voor mijzelf te creëren voor een frisse ‘doorstart’. Net als op mijn 16e, wil ik avontuur, de wereld ontdekken, open tegemoet treden, mijzelf ontwikkelen, maar nu als fulltime pensionado. Nu, drie jaar later, ik ben 70 jaar, mis ik de fellowship eerlijk gezegd. Ik ben dan ook blij verrast als er enkele maanden geleden een Past Rotarian club opgericht wordt en mij wordt gevraagd of ik mee wil doen. Ik aarzel wel even, omdat ik bang ben dat de bekende Rotary mores te veel leidend zal zijn in deze nieuwe club. Centraal staan echter fellowship en behulpzaamheid. Er is geen verplichte attendance en geen service meer en het motto is: ‘Alles mag, niets moet.’ Ik ga daarom het nieuwe avontuur aan met de intentie er samen met de anderen een inspirerende club van te maken. Het duurt even, maar dan wordt in november voor het eerst expliciet gesproken over de invulling en mores van onze nieuwe club. We zijn allemaal wijze, grijze mannen en (helaas enkele) vrouwen. Met onze (levens)ervaring kunnen we dit sociale verband volledig naar eigen inzicht en ideeën inrichten. Zo’n start vraagt om een serie open tafelgesprekken, liefst in wisselende samenstelling, met vragen als: ‘Wat is jouw ideaal voor wat betreft de Past Rotarians en wat kun en wil je daaraan bijdragen?’ En als het ons lukt om die tafelgesprekken vol passie en bevlogenheid te laten plaatsvinden, dan weet ik zeker dat we een solide en unieke basis voor fellowship en behulpzaamheid gelegd hebben voor de komende jaren. Een basis van waaruit we elkaar de komende jaren kunnen blijven inspireren in deze bijzondere en voor ieder unieke levensfase. Bij een club met die mores wil ik graag horen!