
Op de vroege ochtend zitten we stilletjes op kleine krukjes voor onze ger. We zien hoe de nomadenfamilie nog steeds druk in de weer is om de kuddes van elkaar te scheiden. Er wordt nauwelijks gesproken. Ieder weet wat van hem of haar verwacht wordt. De lucht is strak blauw. Blauw is de nationale kleur. Overal zie je blauwe zijden sjaals op heilige plaatsen aan boomtakken of rotsen hangen. Het kleurenpalet dat de natuur op deze vroege ochtend tevoorschijn tovert is van ongelooflijke schoonheid. De steppe ziet er mooi fris en schoon uit. Je kunt oneindig ver kijken. Ik hoor het gemekker en geblaat van de dieren, het snelle voetgetrappel van de paarden. Verder is het stil, stiller dan stil. Er komt een gevoel van rust over me heen, iets van een paradijselijke rust. Een soort oergevoel van ‘het leven is goed zo’. Ik voel me volledig onthaast, mijn gedachten richten zich enkel en alleen op dit moment, op de prachtige omgeving. Ik voel me één met het plekje waar ik zit. Er is even geen ander verlangen naar…. Op deze vroege ochtend komt het leven in al haar eenvoud en tegelijkertijd in al haar grootsheid bij mij binnen. Het leven voelt even compleet!
Ik denk dat iedereen wel iets heeft met de natuur. Vanuit mijn professie weet ik dat natuur en natuurbeleving bij ouderen extra emotie kan oproepen en zelfs een heilzame werking kan hebben. Ik merk dat als fulltime pensionado hier in Mongolië nu ook een beetje. De natuur, het landschap bepaalt de leefwijze van de mensen, die heel basic is. Zij zijn en blijven nomaden. De meesten leven nog steeds in een ger en trekken het hele jaar door met hun vrij lopende kuddes door de steppen. In de Gobi woestijn vind je zelfs wilde kamelen. De nomadententen zien er nog exact hetzelfde uit als honderden jaren geleden. Wel hebben de meesten inmiddels een zonnepaneeltje voor electriciteit en soms een motorfiets om de kudde bij elkaar te kunnen drijven.
Maar de leefwijze van de nomaden kent anno 2017 een keerzijde. Ik lees dat Mongolië een groot probleem heeft met de enorme kuddes schapen, geiten, paarden, koeien; wel 35 miljoen stuks.
Veeteelt is economisch gezien het belangrijkste bestaansmiddel. Er is sprake van overbegrazing en uitputting van de natuur. In combinatie met klimaatverandering zorgt dit er voor dat het ecosysteem steeds zwaarder onder druk staat. Zoals overal op de wereld, staat ook Mongolië voor een grote uitdaging: natuurbehoud en natuurherstel. Mongolië heeft daarmee al een goede ervaring opgedaan. In het Hustai natuurreservaat is vanaf 1980 met hulp van particuliere Nederlanders (uit Rotterdam!) een fokprogramma opgezet voor Przewalski paarden, het laatste wilde paard ter wereld.
Deze diersoort dreigde te verdwijnen. Het is een groot succes geworden. Veel van de nomaden in dit prachtige gebied van ruim 50.000 hectare zijn nu betrokken bij het beheer en instandhouden van het Hustai natuurreservaat. Het is een goed voorbeeld dat aansluit bij o.a. de visie van Willem Ferwerda, tropisch ecoloog en milieudeskundige. In 2016 stond hij nummer 1 in de Trouw Duurzame top 100. Dit jaar mag hij vlak voor Prinsjesdag de zg. duurzame troonrede uitspreken. In de krant Trouw van vijf september staat de verkorte versie hiervan. Ferwerda pleit voor grootschalig natuurherstel als basis van de economie. ‘We moeten onze aarde, ons life support system herstellen en als ondernemers, journalisten, wetenschappers, politici, ouders en burgers dit Grote Verhaal vertellen. Werk daarbij samen met boeren en vissers als beheerder en hersteller van het ecosysteem, zij hebben perspectief nodig.’ In Mongolië zijn dus de nomaden onderdeel van natuurherstel en natuurbehoud.
Nu terug in Nederland, volop nagenietend van deze bijzondere natuurbeleving, zou ik in alle bescheidenheid willen adviseren: ‘Mongoolse regering ga eens praten met die Nederlandse topper (verbonden aan de Rotterdam School of Management!) op het gebied van duurzaamheid.’
Het moest er van komen deze derde dag. Na enig aandringen van de nomadenfamilie stapt mijn dappere lief op een kameel en loopt een rondje. Eerlijk gezegd, ik durf niet. Ik mij heb voorgenomen niet op een paard en kameel te gaan zitten. Een van mijn angsten bij het ouder worden is, dat je bij een val snel botbreuken oploopt. Ik baal wel van mijzelf, dat ik het niet doe!
onze chauffeur een familie met pech, een lekke band. Bizar genoeg krijgen wij zelf vijf minuten later ook een lekke band. Grappig is dat de familie die achter ons rijdt ons nu helpt. Het klusje is snel geklaard. We rijden nog een eindje op de gewone weg en dan duiken we de steppe in op zoek naar onze nomadenfamilie. Na een half uur schudden en hobbelen is er nog steeds geen ger of familie te vinden. In de verte lopen een oude man en een vrouw. Dichterbij gekomen zie ik dat zij met een schepnet in één vloeiende beweging droge poep opscheppen en over hun hoofd in de mand gooien, die zij op hun rug dragen. Droge poep is ‘gratis’ brandstof voor hun kacheltje. De chauffeur spreekt hen aan en het blijkt dat onze nomadenfamilie enkele dagen eerder is ‘verhuisd’.
De volwassenen kijken vervolgens welke dieren van hen zijn. De ‘vreemde’ dieren worden enigszins hardhandig aan poot en staart gepakt en over de afrastering gegooid. De kinderen drijven deze weer bij elkaar om ze vervolgens weg te brengen ergens in de steppe. Naast onze ger zie ik dat de gastheer een geit slacht.
Hij legt het dier op de rug tussen zijn benen, maakt een kleine snee in de buik en gaat met zijn hand naar binnen om in één vloeiende beweging de aorta bij het hart los te trekken, zo begrijp ik later. Normaal gesproken durf ik hier niet naar te kijken, maar hier midden in de Mongoolse steppe voelt het normaal. Ik denk terug aan onze twee jaar in Afrika tussen 1981 en 1983. Bij ons afscheid hebb
en we achter ons huis een geit laten slachten. Dat ging met veel bloed gepaard, maar ook toen kon ik er gewoon naar kijken. ’s Avonds hebben onze Keniaanse vrienden de geit op een groot vuur gegrild en van kop tot staart verorberd.
aan de voorzijde van de grote ingangspoort is een grote manifestatie aan de gang. De oude tijden van Dhengis Kahn herleven in muziek en dans. Strijders op kleine paarden laten acrobatische kunsten zien en karavanen kamelen en ossen trekken langs, als ware het de zijderoute. In een van de gersen krijgen we paardenmelk(!) met geitenkaas aangeboden …. jammie.!?/..
ervolgens rijden we naar onze volgende nomaden bestemming, waar we begin van de avond aankomen. Het laxeermiddel werkt nog steeds niet. Onze gids, bezorgd over mijn toestand, biedt daarom aan mij een buikmassage te geven. Ik voel me duidelijk opgelaten bij deze intieme handeling door een wildvreemde. Mijn eveneens bezorgde lief dringt er intussen op aan naar een arts te gaan. Na enig aarzelen stem ik toe. De dichtsbijzijnde nederzetting met een kliniekje is driekwartier rijden. De dienstdoende dokter stelt al snel de diagnose ‘obstipatie’ vast en na enig overleg krijg ik een ‘onschuldige’ darmspoeling. Na amper vijf minuten, begint het spul te werken, zo heftig dat ik een sprint moet maken naar de toilet. Pas op dat moment besef ik dat er geen toilet binnen is. Ik ren op goed geluk door de gangen van het kliniekje naar de uitgang, mijn lief er achteraan. Op de bankjes voor de kliniek zitten enkele mensen. Ik hoor mijn lief roepen: ‘Naar links, geloof ik.’ Daar zie ik enkele schuurtjes staan. Het blijken electriciteithuisjes. ‘Nee verder, daar’ roept mijn lief. En ja hoor, daar staan enkele houten toilethuisjes, waarvan er één vrij is. Ik heb het gehaald! Meer dan opgelucht om allerlei redenen, krijgen mijn lief en ik vervolgens de slappe lach. Het is slapstick, temeer daar niemand bij dit tafereel raar opkijkt, noch de mensen op de bankjes, noch onze chauffeur, noch onze gids.
