In Rotterdam zal rond 2035 ruim één vijfde van de bevolking 65 plus zijn, zo lees ik in de Samenwerkingsagenda Rotterdam ‘Ouder en Wijzer’, een beleidsnotitie van december 2018. Een groeiend aantal mensen blijft langer gezond en vitaal en zal dus op de een of andere manier actief betrokken willen zijn bij de stad. De grootste stijging vindt plaats onder de 75 plussers, die grotere kans op gezondheidsproblemen hebben. Rotterdam wil goed voorbereid zijn op deze veranderende bevolkingssamenstelling en daarom (citaat): ‘Samen met ouderen aan de slag gaan op vier pijlers: Vitaal, Er toe doen, Wonen en Woonomgeving, Zorg en Ondersteuning.’
Onlangs ben ik als lid van het Afterworknet samen met anderen uitgenodigd om met wethouder Sven de Langen te praten over deze nota. Vanuit de Afterworknetvisie wordt aandacht gevraagd voor het feit dat er steeds meer ouderen zijn die graag onder bepaalde voorwaarden door willen werken na het pensioen.
In zijn algemeenheid wil, naar mijn idee, ieder mens dus ook de oudere, er toe (blijven) doen en actief deel uitmaken van de samenleving. In de derde levensfase kan de oudere helemaal zelf kiezen hoe, wat, wanneer, hoe lang je iets doet. Daarvoor is een kansrijke omgeving, die meer mogelijkheden biedt dan bijvoorbeeld vrijwilligerswerk of mantelzorg noodzakelijk. Het wordt dan ook tijd voor een goede, eigentijdse support en ondersteuning op dit punt vanuit de samenleving.

Gilde der bakkers
Een van de aanwezigen van de FNV haakt hierop in met het noemen van de term Gilde. Tijdens de Middeleeuwen en nog lang daarna wordt in een Gilde vakkennis en ervaring uitgewisseld via de route leerling-gezel-meester. De meester is na een langlopend proces en het maken van een meesterproef uiteindelijk de hoogste vakman in rang. Maar die tijd is anno 2019 voorbij. Kort door de bocht gezegd: ‘De oudere in het bedrijf kan het niet meer bijbenen’, aldus deze spreker.
We zien inderdaad op heel veel plekken expliciete vakkennis snel verouderen en ingeruild worden voor weer nieuwe kennis of zelfs robotisering of kunstmatige intelligentie. De cyclus leerling-gezel-meester gebaseerd op de typische vakkennis binnen een bedrijf heeft een veel snellere doorlooptijd dan voorheen. Er zullen tegenwoordig in organisaties en bedrijven veel ‘jonge’ meesters zijn in de termen van de Gilde. Echter, er bestaat meer dan alleen vakkennis waarop je competenties ontwikkelt. Uit onderzoek (Baltes) weten we dat de mens ook competenties ontwikkelt door ervaringskennis of tacit knowlegde. Gedurende de tweede levenshelft gaan mensen meer en meer handelen op basis van hun ervaringskennis. Anders gezegd: de ‘oude’meester heeft geleerd in en van het leven door te doen, heeft zichzelf daardoor beter leren kennen en is er wijzer van geworden door deze competenties te blijven ontwikkelen.
Elk bedrijf/organisatie, maar ook de samenleving heeft groot belang bij een goede mix en samenhang/werking tussen generaties oftewel tussen ‘jonge’ meesters en ‘oude’ meesters. De ‘oude’ meester met goed ontwikkelde ervaringskennis heeft aandacht voor zelfreflectie, voor de eigen en andermans verantwoordelijkheden, voor het erkennen van het principe ‘van fouten kun je leren’ en is in staat complexe relaties beter te doorzien en te begrijpen.
Kijkend door deze intergenerationele bril van de Gilde zie ik in onze Rotterdamse samenleving mooie kansen voor die groeiende groep ‘oude’ meesters. We moeten daarvoor wel de ouderenwereld met al haar belangenbehartigers uit hun comfortzone halen en flink opschudden. Anders geformuleerd: we zouden niet alleen, zoals wethouder Sven de Langen (33 jaar jong!) zegt ‘ ouderen op het schild moeten heffen van Ouder en Wijzer’, maar tegelijk de jongere generaties.
Ik pleit voor een Rotterdamse start-up waarin ‘jonge meesters’ en ‘oude meesters’ gezamenlijk onder het motto ‘niet lullen maar poetsen’ aan de gang gaan met de vier pijlers: Vitaal, Er toe Doen, Wonen en Woonomgeving, Zorg en Ondersteuning. Zo zorgen we er samen voor dat onze prachtige, dynamische stad sociaal, maatschappelijke en economisch maximaal aantrekkelijk blijft voor al haar inwoners.
Voor mij als (psycho)gerontoloog en tweeënzeventig jarige is het vooral interessant om na te denken welke invloed deze groei van levensverwachting heeft op mijn dagelijks leven en die van anderen. Maatschappelijk gezien hebben wij onze levensloop behoorlijk vastgepind op biologische leeftijden. Tevens is onze levensloop vooral gericht is op betaald werken. Vanaf het prille begin staan de eerste twee levensfasen grotendeels in het teken van opleiding, loopbaan en carrière. Als je dan stopt met betaald werken, ga je de derde levensfase in. In die fase kan het zo maar gebeuren dat je niet meer weet hoe je zin moet geven aan je dagelijkse leven. Waar haal je ineens de inspiratie vandaan? Vreemd is dat niet als je bedenkt dat je dan pas voor het eerst in je leven helemaal zelf verantwoordelijk bent over hoe je de dag zinvol gaat invullen. Sommige mensen doen verwoede pogingen door te werken of oude netwerken vast te houden, hoe lastig ook. Anderen vallen in het bekende zwarte gat en worden depressief. Weer anderen weten hun nieuwe weg al dan niet gemakkelijk te vinden met vrijwilligerswerk, oppassen kleinkinderen, reizen of meer investeren in hun hobby.
Ik pleit ervoor om het loopbaandenken los te laten ten gunste van het levensloopdenken. Kern van het levensloopdenken is de Schijf van Vijf voor een zinvol leven. Tijdens je leven ben je voortdurend op zoek naar een – voor jou – goede balans op vijf schijven/levensdomeinen: lichaam/geest, sociale relaties, materiële situatie, activiteiten/arbeid en inspiratie/zingeving. Ons dagelijkse leven speelt zich op deze schijf van vijf af. Natuurlijk legt ieder individu bepaalde accenten op deze levensdomeinen, al naar gelang ieders sterke en zwakke kanten en de kansen en bedreigingen in de omgeving. De vijf levensdomeinen werken onderling als communicerende vaten: gebeurt er iets in het ene domein heeft dat direct invloed op de andere domeinen. Op de momenten dat je een zekere balans ervaart op deze schijf van vijf dan zit je lekker in je vel en is het leven de moeite waard.
Tussen werken en niet meer werken hoort een flexibele overgangsperiode, inclusief een life long learning programma. In dat verband is het interessant dat het ministerie van Sociale Zaken onlangs expliciet aandacht vraagt voor de doorontwikkeling van vijfenveertig plussers. Tien jaar geleden heb ik persoonlijk aan de toenmalige minister Donner een onderzoeksrapport overhandigd rond dit thema met als titel ‘Midlife Resourcing, behoud van 45+ talent’.