Midden in het leven blijven staan….

Maar liefst 7 op de 10 vijftigplussers voelt zich onvoldoende gewaardeerd door de samenleving. SIRE wil met de nieuwe campagne ‘Je bent nooit te oud om te leven’ het patroon doorbreken door inspirerende vijftigplussers te laten zien die midden in het leven staan en daarmee de vooroordelen ontkrachten….

Uit wetenschappelijk onderzoek (o.a. The Berlin Aging Study, Aging from 70 to100, Baltes c.s.1997) weten we dat rond je vijfenveertigste gemiddeld het accent van groei en ontwikkeling verschuift naar je competenties op het gebied van ervaringskennis. Juist deze competentie kan blijven groeien tot op zeer hoge leeftijd. Om dus ‘midden in het leven te blijven staan’ is het wijs je daarvan bewust te zijn. Dat geldt voor de samenleving én voor het individu.

Zo heb ik na mijn pensionering drie belangrijke besluiten genomen, allen direct gerelateerd aan mijn ervaringskennis: ik ga blogs schrijven over mijn eigen ouder worden; ik word actief als vrijwilliger in mijn directe leefomgeving; ik neem mij voor te blijven zoeken naar inspiratie en zingeving….tot de laatste snik… Nu, ruim tien jaar verder, kan ik zeggen: ik leef met volle teugen!

Onlangs heb ik nog een prachtige ervaring opgedaan. Mijn lief heeft na haar pensionering spontaan besloten als hobby een thee opleiding te volgen. Nu mag ze zich theesommelier noemen. Natuurlijk volgen wij elkaars activiteiten, want van elkaar kun je veel blijven leren. In het voorjaar krijgt zij een aanbod voor een bijzondere Tea Training in Sri Lanka. Deze kans laten we niet voorbij gaan en ik mag mee! Het is een fantastische uitdaging even uit onze pensionado-comfortzone van alledag te stappen.

Afgelopen juni vertrekken we dan voor drie weken naar Sri Lanka, waarvan we tien dagen met een groepje van theeliefhebbers verblijven op twee kleinschalige theeplantages: Amba Estate en Kaley Estate. Het zijn biologische thee boerderijen, hebben een pension en zijn bewust sociale ondernemingen. Hun doel is om de lokale werkgelegenheid en inkomens te maximaliseren en tegelijkertijd de natuurlijke omgeving te behouden en te herstellen. Er wordt samengewerkt met de lokale gemeenschap om een scala aan ambachtelijke producten te produceren en te exporteren. Ze bieden kleine groepjes gasten de mogelijkheid om te ontspannen en op te laden op de mooiste plekken in Sri Lanka.

Vanaf de eerste dag op de theeplantage kost het mij geen enkele moeite om uit mijn comfortzone te stappen. Ik ontmoet alleen maar blije mensen. De werknemers komen uit de directe omgeving, krijgen een goede opleiding en een goed salaris. Zij vormen een hechte gemeenschap. Hun enthousiasme is hartverwarmend. We krijgen uitgebreid informatie over de geschiedenis van Sri Lanka en de soorten thee. Maar het mooiste is de praktijk. De theeplukkers nemen ons mee in de velden en leren ons de juiste blaadjes te plukken. Zij helpen ons in de kleine fabriek deze blaadjes handmatig te verwerken tot zwarte, witte of groene thee. Ontbijt, lunch en avondeten wordt met liefde klaargemaakt en opgediend, precies zoals zij thuis gewend zijn. Al het eten komt uit de directe omgeving. Zelfs waag ik het erop om af en toe te eten zonder bestek, zoals iedereen, gewoon met mijn rechterhand.

Vol positieve adrenaline in ons lijf zijn mijn lief en ik inmiddels weer thuis, heel veel ervaringen rijker. De komende blogs ga ik daar zeker meer over vertellen.

Cattepoelseweg twee-drie-twee…

Hoe bijzonder is het? Vorig jaar is mijn oudste broer tachtig geworden, dit jaar mijn tweede broer en hopelijk ben ik volgend jaar ‘bij leven en welzijn’ aan de beurt. Wie van ons had dat ooit gedacht? En dan te bedenken dat mijn jongere broer en twee zussen al aardig op weg zijn: zes krasse knarren, ooit opgegroeid in Arnhem, Cattepoelseweg twee-drie-twee!

Het is 1946, mijn geboortejaar, als onze ouders na de heftige oorlogsperiode eindelijk het gewone leventje ‘huisje, boompje, beestje’ kunnen gaan oppakken. Hoewel gewoon….?

In ons Rooms Katholieke gezin wordt er niet aan geboortebeperking gedaan. Na drie jongens, komen er nog twee zusjes en twee broertjes bij. Ons laatste broertje overlijdt helaas vlak na zijn geboorte. Er valt heel veel te verwerken door onze ouders, die zware oorlogsjaren hebben meegemaakt. Dankzij de Stichting 1940-1945 heeft ons gezin een klein, vast inkomen. Door de ziekte tuberculose, opgelopen tijdens verzetsactiviteiten in de oorlog, kan onze vader niet echt een vaste baan hebben. Hoewel hij niet de besmettelijke variant van tuberculose heeft, is hij heel voorzichtig in het fysieke contact met zijn jonge kinderen. Veel knuffelen, zeker met de jongens, is er niet bij. Hij overlijdt in 1961. Moeder, sterk en optimistisch als altijd, gaat alleen verder met zes kinderen tussen de 10 en 17 jaar.

Later als we volwassen zijn, komen we in de gesprekken met elkaar vaak te praten over onze jeugd. Al gauw is duidelijk dat ieder van ons over onze vader een geheel eigen beleving heeft. Soms worden dat behoorlijk emotionele gesprekken en is het erg lastig elkaar te begrijpen. Wat bij mij blijft hangen van die gesprekken is het gevoel dat wij allemaal op de een of andere manier onze vader hebben gemist in die oh zo belangrijke fase van ons leven. Andersom weet niemand van ons hoe vader zich gevoeld heeft.

Zelf vader én opa, besef ik dat het voor vader ontzettend moeilijk moet zijn geweest. Hoe kun je een goede vader zijn als je tuberculose hebt, vele malen opgenomen wordt in het ziekenhuis en telkens voor maanden moet kuren in Zwitserland? Het gevoel van gemis heb ik gedurende mijn leven een plek gegeven. Wat nu overheerst, is het gevoel dat hij zijn stinkende best heeft gedaan zijn vaderrol met de steun en de onvoorwaardelijke liefde van onze moeder zo goed mogelijk ingevuld te krijgen.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn wij één voor één ons ouderlijke huis Cattepoelseweg twee-drie-twee uitgevlogen. Anno 2025 zijn wij zes krasse knarren, die trots zijn op onze ouders en trots op elkaar. We hebben van onze vader en moeder meegekregen hoe om te gaan met verlies en verdriet. Mede daarom weten we nog elke dag onze zegeningen te tellen….we voelen ons stikgelukkig!

Met de paplepel ingegoten….

Maar liefst vier op de tien mensen in Nederland doen vrijwilligerswerk. Bij zestigplussers is het zelfs de helft. Deze aantallen laten zien dat er grote betrokkenheid is op het sociale domein in onze samenleving. Kennelijk zit er in de mens een haast vanzelfsprekende drang om andere mensen te helpen. En dat in onze tijd van individualisering!

Vrijwilligerswerk doen is mij vanaf mijn jeugd met de paplepel ingegoten. Hoe dat precies gegaan is, weet ik niet. Ik denk dat het in het dna van onze familie zit. Ik ben opgegroeid in de sfeer dat het vanzelfsprekend is dat je je extra inzet voor de samenleving. Al op mijn zestiende ben ik actief binnen jongerenclubs in de Arnhems buurthuizen De Hommel en Klarendal. Wellicht niet geheel toevallig kies ik in die periode voor de vijfjarige opleiding tot (hoofd)onderwijzer. Mijn werkzame leven én mijn vrijwilligerswerk lopen vanaf die tijd min of meer parallel met de levensloop van de mens: eerst kinderen, dan volwassenen en tenslotte ouderen.

Na het onderwijs kom ik in Rotterdam te werken eerst in het maatschappelijke domein van de toen zo geheten multiculturele samenleving, kort daarna in de ouderenzorg. Dit laatste maatschappelijke domein kent een enorm groot aantal vrijwilligers die intensieve mantelzorg geven. Uit cijfers van het CBS blijkt dat vrijwilligers in de verzorging of gezondheidszorg het vaakst actief zijn. Zij zetten zich wekelijks of maandelijks in en besteden de meeste uren per week aan vrijwilligerswerk. Mijn uren heb ik nooit geteld. Als ik de balans opmaak ben ik wel het meest trots op mijn bestuurlijke betrokkenheid gedurende tweeëndertig jaar bij de Rotterdamse Pauluskerk, de Huiskamer van Rotterdam waar dak- en thuislozen, vluchtelingen en andere ontheemden elk uur van de dag welkom zijn.

Nu ben ik zelf een oudere. Mijn behoefte aan sociale contacten blijft groot en omdat ik op zinnige wijze bezig wil zijn, zoek ik die contacten mede in structurele bezigheden in mijn directe leefomgeving, zoals bijvoorbeeld de Huiskamer van de wijk. Een prettige bijkomstigheid is, dat deze bezigheden enig ritme in het dagelijkse leven geven.

Natuurlijk kijk ik, zoals veel ouderen, regelmatig terug op mijn leven. Hoe is dat verlopen en is het de moeite waard geweest tot nu toe. Een beetje filosofisch mijmerend en verwonderend besef ik meer dan ooit, dat alles wat ik doe en wat mij overkomt vooral tot stand komt bij de gratie van de ander. Dat impliceert een wederzijdse verantwoordelijkheid, die inhoudt dat je zorg voor jezelf hebt in directe relatie met zorg voor de ander. Het is deze basishouding die mij kennelijk met de paplepel is ingegoten en die ik mijn hele leven al met vallen en opstaan zo goed mogelijk probeer uit te voeren. Hopelijk nog heel veel jaren.