Dit artikel verscheen op zaterdag 14 oktober jl. op de opiniepagina van het AD en is geschreven door ds. Dick Couvée van de Pauluskerk Rotterdam.
In de Pauluskerk kom ik hen dagelijks tegen. Mensen die het niet meer redden. Te weinig geld om van rond te komen, voor jezelf, voor de kinderen. Geen dak meer boven je hoofd, omdat je dat niet meer kon betalen. En mensen met schulden. Altijd weer die schulden. Schulden die je eindeloos gevangen houden en je leven eindeloos onzeker maken. Armoede en schulden, helaas aan de orde van de dag in Rotterdam. Veel mensen denken, dat je nou eenmaal altijd armen en armoede hebt. Vervelend bijeffect van onze kapitalistische samenleving, vooral in perioden van crisis. Sommige mensen ontkennen het bestaan van armoede in Nederland. Het zittende college vond vier jaar geleden, dat Rotterdam de stad moest zijn van en voor stoere, hardwerkende Rotterdammers. Er kon worden bezuinigd op het armoedebeleid. Zijn er dan geen arme mensen in Rotterdam? Het tegendeel is waar. Rotterdam is zo’n beetje de armste stad van Nederland. Ruim 18% van de Rotterdammers leeft onder de armoedegrens. Bijna 120.000 mensen. Eén op de vier Rotterdamse kinderen groeit op in armoede. Volgens de Rotterdamse Rekenkamer kampen meer dan 100.000 huishoudens met ernstige schulden; een kwart daarvan kan niet meer worden afgelost. Steeds meer mensen zijn ook langdurig arm.
Armoede is meer dan het niet hebben van geld. Het is vooral iets sociaals. Als je geen geld hebt, kun je niet mee doen. Alles wat jij bent, wat je zou kunnen bijdragen, het doet er niet toe. Armoede is een vorm van uitsluiting. Mensen worden erdoor in hun bestaan ontkend. Dat is het ergste dat je mensen kunt aandoen, volgens mij. Uit allerlei onderzoek blijkt steeds, dat uitsluiting mensen ziek maakt, minder weerbaar, depressief en ongelukkig. En daarbij: mensen uitsluiten, mensen het gevoel geven dat ze er niet bij horen, dat is niet goed. Voor hen zelf niet. Maar ook niet voor Rotterdam als geheel.
Willen we met elkaar zo’n arm Rotterdam? Of willen we een warm Rotterdam? Daar gaat het om de komende jaren. Rotterdam gaat mij aan het hart, steeds meer. Ik ontmoet prachtige Rotterdammers. Mensen op straat, in de wijken, in de kunst, bij de gemeente, onder de werkgevers, in het onderwijs. Velen vinden, dat het anders moet en anders kan. Zij geloven in Rotterdam. Niet in het harde Rotterdam van “zoek het zelf maar uit”. Wel in het zachte Rotterdam van ‘ik voor ons allen’, van ‘hand in hand, kameraden’.
Ik vind daarom, dat wij Rotterdammers met elkaar moeten gaan bewegen. Van Arm naar Warm. Weg van een stad met zoveel arme, uitgesloten mensen. Naar een stad, waarin iedereen voelt en weet, dat zij of hij erbij hoort. Gewoon, omdat iedere Rotterdammer telt. Gewoon, omdat iedereen iets wil en kan. ‘Ik ben, omdat wij zijn’. Dat is pas stoer! Ik zou graag begin volgend jaar de aftrap nemen. De Pauluskerk kan dat niet op haar eentje. Doe mee, meld je aan. Samen worden we sterk.
Inmiddels beginnen de eerste mensen en instellingen zich te melden. Meedoen kan via: info@pauluskerkrotterdam.nl
Opa en oma zijn! Weer breekt een nieuwe, wezenlijke fase in ons leven aan: ‘The life cycle completed’. Het versterkt je gevoel van zin geven. Letterlijk en figuurlijk geef je het leven door, eerst aan je kinderen en die weer aan hun kinderen. Het zal deze derde levensfase waarin ik als fulltimepensionado vertoef een nieuwe dimensie geven. Tegelijkertijd voelt opa zijn ook een beetje alsof je nu echt een stokoude man aan het worden bent. Het is de bekende discussie over leeftijd, voel je je zo oud als je biologische leeftijd is? Nou, ik ben dan wel 71 jaar, maar ik voel dat niet zo. Als ik naar een foto van een van mijn opa’s kijk, zie ik echt een oude man. Mijn opa heette Gerrit, dat komt van Gerardus. Ongetwijfeld ben ik naar hem vernoemd. Eerlijkheid gebied mij wel te zeggen dat mijn opa hier ongeveer 80 jaar oud is en dat scheelt natuurlijk wel een slok op een borrel. Een borrel, die hij overigens graag lustte. Dit alles zo overwegend denk ik, dat ik mijzelf maar ‘opa Geert’ laat noemen, dat klinkt iets minder oubollig dan alleen ‘opa’. Het slaat wellicht nergens op, maar toch. Het is natuurlijk afwachten of straks onze kleindochter dat gaat zeggen.
Dolgraag zou ik een foto van Isha willen laten zien. Maar anno 2017 moet ik voorzichtig zijn, want sociale media, zoals een blog, zijn zo openbaar, dat er helaas gemakkelijk aan de privacy schade toegebracht kan worden. Ter compensatie heb ik mijn eigen geboortekaartje uit 1946 nog eens tevoorschijn gehaald. Op de voorzijde staat een foto met mijn twee oudere broertjes en daarnaast de tekst: ‘Hein en Hans zijn erg blij, zij hebben er een broertje bij’. Aan de binnenzijde geven mijn paps en mams op een formele toon ‘met groote vreugde kennis van de geboorte van hun zoon’. Hoe simpel en lief kun je welkom geheten worden op deze wereld!