Mijn kalenderleeftijd geeft aan dat ik bij de ouderen hoor, maar ‘oud zijn’ dat voelt genuanceerder dan ik ooit heb gedacht. Wanneer is iemand oud en dan nog, wat zegt dat? Ouder worden in zijn algemeen wordt mede bepaald door het hardnekkig vooroordeel hoe onze samenleving naar ouder worden kijkt: een levensfase van achteruitgang en verlies met als ‘dieptepunt’ de dood.

Deze negatieve beeldvorming is zichtbaar en hoorbaar in alle gremia. We praten over de grijze golf en over dubbele vergrijzing. In de politiek gaat het vaak over ouderen die de samenleving ontzettend veel geld kosten. In reclame boodschappen is ‘jong’ vitaal en aantrekkelijk, ‘oud’ is krakkemikkig en afhankelijk.

De levenslijn van de mens stellen we ons simpelweg voor als een trap waarop je vanaf de geboorte tot en met je arbeidzame leven omhoog klimt om meteen daarna steil naar beneden te strompelen. Nota bene een beeld uit ongeveer 1850, als de levensverwachting gemiddeld veertig jaar is!

Zo gauw je met pensioen gaat, hoor je automatisch bij de doelgroep ouderen. We beseffen echter onvoldoende dat de individuele verschillen (fysiek/mentaal) tussen mensen steeds groter worden naarmate de leeftijd stijgt. Daar komt bij dat onze levensverwachting inclusief kwaliteit van leven blijft toenemen. Statistisch gezien loop je pas een groot risico op ernstig fysiek en psychisch disfunctioneren na je vijfenzeventigste. Gelukkig leven we in een welvarend land waar, als het zover is, wij kunnen terugvallen op professionele zorgvangnetten.

Zoals in mijn vorige blog al opgemerkt leer ik ‘op mijn oude dag’ veel van filosofen. Onlangs is de filosoof Suzanne Wiebinga gepromoveerd op het onderzoek ‘Ouder worden als ervaring’. Zij geeft aan dat ouder worden een nieuw vraagstuk is, waarbij oude antwoorden en gangbare culturele narratieven niet meer passen. Ouder worden is niet ‘jong’ blijven. Het is ook niet alleen maar verlies. In haar onderzoek heeft zij gekeken of we waarheid en betekenis van ouder worden op een nieuwe manier kunnen verwoorden, op een manier die aansluit bij de ervaringen, inzichten, zorgen en verlangens van ouderen zelf.

Dit onderzoek voelt voor mij als erkenning. Ik ben iemand, die zichzelf telkens opnieuw probeert uit te vinden, zoals ik dat eerder als puber en arbeidzame volwassene heb gedaan. In mijn eigen beeldvorming over ouder worden loop ik nog steeds op mijn levenstrap omhoog. Het gaat wel iets voorzichtiger en minder snel. Ongemakken en verlies gaan aan mij niet voorbij, maar ik kan dat nog goed opvangen.

Van betekenis zijn in de samenleving is en blijft een uitdaging. Waar ik woon, is genoeg te doen: vrijwilligerswerk in het sociale domein; een keertje voorlees-opa zijn op de kinderopvang van onze kleinzoon; met raad en daad onze Vereniging van Eigenaars bijstaan; een filosofiecursus volgen.

Het meest betekenisvolle in mijn huidige leven zijn de persoonlijke contacten met alle dierbaren in mijn directe omgeving. Dat alles bij elkaar maakt mij een gelukkige oudere en ik zie wel hoe lang dat nog duurt.